Module 2 – Opdrachten bij les 4

Opdracht 1: Van welke systemen ben jij onderdeel?

In de lesstof heb je gelezen dat we allemaal onderdeel zijn van één of meer systemen.
Beschrijf van welke systemen je onderdeel bent. En als je het weet, wat is je plek in dat betreffende systeem?

Voorbeelden

Voorbeeld 1
Ik ben 4e op rij van 5 kinderen. Ik heb een vader en moeder, de volgorde van ons gezin is jongen-meisje-jongen-ik-jongen. Ik ben 4 jaar jonger dan mijn oudere broer en 7 jaar ouder dan mijn jongste broertje.

Voorbeeld 2
Ik ben opgegroeid in een klein dorp in Zuid-Holland. We woonden in een hechte buurt.

Voorbeeld 3
In mijn jeugd had ik een pony en samen met mijn buurmeisjes vormden we een clubje. Ik had als eerste in de buurt een pony. Met elkaar gingen we naar de manege voor les.

Voorbeeld 4
In mijn volwassen leven ben ik getrouwd en ben moeder van onze 2 kinderen.

Opdracht 2: Systemen waarnemen

Het waarnemen van systemen verbind je met het groter geheel waar je deel van bent.

Naast je eigen systemen, maakt iedereen om je heen ook deel uit van systemen.

Ga de komende tijd eens ontdekken welke systemen er zijn.

Oefen als je iemand ontmoet. Dit kan in iedere situatie zijn. Op je werk. Of bijvoorbeeld in een winkel of restaurant.

Als je de ander ontmoet, kijk dan eens bewust naar de ander en bedenk van welke systemen hij/zij onderdeel is.

-> Wat is zijn/haar werkachtergrond, opleiding?
-> Welke vereniging of sport(en)?
-> Welke familie?
-> Welk land, plaats?
-> Kan je ‘voorbij’ de ander kijken?
-> Zijn er wellicht systemen waartoe jullie allebei behoren?