Les 3 Wanneer ben je ´verslaafd´?

Wanneer is iemand verslaafd? Er zijn allerlei graadmeters. Een voorbeeld daarvan is de DSM-V. De V staat voor de inmiddels vijfde editie. DSM is de afkorting van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders: een diagnostisch en statistisch handboek van psychiatrische aandoeningen dat wereldwijd gebruikt wordt. Het is van origine Amerikaans, uitgegeven en opgesteld door de American Psychiatric Association. Oorspronkelijk was het handboek bedoeld om eenheid te brengen in de vele interpretaties van diagnoses. Die eenheid was in eerste instantie nodig om goed onderzoek te kunnen doen: wil je weten of een bepaalde behandeling bij bijvoorbeeld depressie werkt, dan moet in ieder geval elke onderzoeker hetzelfde onder het begrip ‘depressie’ verstaan. Een eenheid die vóór de eerste DSM ver te zoeken was.

Ondertussen is de DSM, tot verdriet en ergernis van velen, verworden tot een instrument dat zorgverzekeraars gebruiken om te bepalen of een behandeling wel of niet vergoed kan worden. Of dat aan de zorgverzekeraars of aan de GGZ te wijten is, is een aparte discussie. Er zijn ook andere manieren om tegen verslaving aan te kijken dan de DSM doet, maar het is niet ons doel om hier dieper op in te gaan.

‘Stoornis in gebruik’

Als je wilt kun je ongezond gedrag, bijvoorbeeld op het gebied van alcohol of drugs, langs de DSM-graadmeter leggen en dan kijken of je er iets mee zou moeten. De DSM-V hanteert 11 criteria. De DSM spreekt niet van alcoholisme of verslaving maar van stoornissen in het gebruik van middelen (zgn. ‘substance abuse disorders’).

Een ‘stoornis in het gebruik van middelen’ kan ontstaan door gebruik van verschillende middelen zoals alcohol, cannabis, opiaten, stimulerende middelen. Voldoet iemand aan twee of drie criteria dan is er sprake van een milde stoornis in het gebruik van middelen. Voldoet iemand aan vier of vijf criteria dan is er sprake van gematigde stoornis en bij zes of meer symptomen is er sprake van een ernstige stoornis. Maak een stoornis hoe dan ook altijd bespreekbaar.


De 11 criteria:

1. Vaker en in grotere hoeveelheden gebruiken dan het plan was.

2. Mislukte pogingen om te minderen of te stoppen.

3. Gebruik en herstel van gebruik kosten veel tijd.

4. Sterk verlangen om te gebruiken.

5. Door gebruik tekortschieten op het werk, school of thuis.

6. Blijven gebruiken ondanks dat het problemen meebrengt in het relationele vlak.

7. Door gebruik opgeven van hobby’s, sociale activiteiten of werk.

8. Voortdurend gebruik, zelfs wanneer je daardoor in gevaar komt.

9. Voortdurend gebruik ondanks weet hebben dat het gebruik lichamelijke of psychische problemen met zich meebrengt of verergert.

10. Grotere hoeveelheden nodig hebben om het effect nog te voelen oftewel tolerantie.

11. Het optreden van onthoudingsverschijnselen, die minder hevig worden door meer van de stof te gebruiken.

Afhankelijkheid

Volgens de WHO is sprake van afhankelijkheid als zich het afgelopen jaar drie van onderstaande symptomen hebben voorgedaan:

  • Een sterk verlangen om te gebruiken (het verlangen varieert van licht tot zeer heftig)

  • Meer gebruiken dat je wilt ofwel moeite hebben om het gebruik te controleren, dat wil zeggen het moeilijk vinden om gebruik uit te stellen, matig te gebruiken of om op tijd te stoppen

  • Minder aandacht besteden aan hobby’s, sociale contacten en werk

  • Doorgaan met gebruik ondanks de wetenschap dat gebruik schade oplevert (zoals ziekten, ruzies met omgeving, problemen op het werk)

  • Veel tijd besteden aan gebruik en het herstellen ervan

  • Tolerantie

  • Last hebben van onthoudingsverschijnselen.